De Laatste,
Mijn laatste blog hier op de site van de Fiom. Jammer? O ja, zeker weten. Ik heb het schrijven met ongelofelijk veel plezier gedaan en neem met moeite afscheid. Of mijn blog binnen de Fiom veel gelezen wordt daarvan heb ik geen idee. Reacties waren er nauwelijks vanuit de Fiom. De wereld buiten de Fiom reageerde wel en dit vond ik heel leuk. Zeer creatief hoe mensen mij bereikte en contact zochten!
Nu de laatste blog! Ik had nog zoveel onderwerpen waarover ik wilde schrijven. Dat de Fiom belangrijk voor mij in de loop der jaren is geworden is onderhand wel begrepen. Dat ook ik mijn frustratie soms over de Fiom heb misschien niet. In de wereld van adoptie spelen zoveel emoties dat men (ik ook) het soms niet meer zo scherp ziet.
Waarover had ik nog meer willen vertellen? Over die geweldigen mensen met boeken die mijn pad zomaar kruisen? Over een draagmoeder die het boek ‘Mijn vergeven zoon’ schreef? We kennen allemaal het woord ‘draagmoeder’ maar wat weten wij hierover? Ik niets. Ik heb het boek met verwondering gelezen en ga de schrijfster Wil Jansen binnenkort ontmoeten.
Over mijn ontmoeting met Simon Buschman van www.verwantschapsvragen.nl die mij zijn boek ‘Kalm op de vleugels’ cadeau gaf. Een prachtig boek wat ik koester.
Of had ik het nog over mijn eigen boek moeten hebben? Het boek wat ik met veel tranen schreef en waarvan ik mij later afvroeg of ik er wel trots op kon zijn?
Natuurlijk had ik jullie nog veel willen vertellen over het boek wat ik nu schrijf, samen met een geadopteerde ‘Bea te Veldhuis’. Hoe fijn dit voelt en hoeveel we in elkaar herkennen. Natuurlijk hopen wij beiden een prachtig product neer te zetten waar heel Nederland verbaast over zal zijn, wel een gedeelte hoop ik dan.
Over mijn website www.reneedebode.nl die ik zelf met veel pijn en moeite maakte. Met hier en daar steun van een vriendin en een kind, als ik echt niet meer uit mijn foutjes kwam. Mijn site is nog niet 100% maar achter de schermen werk ik hieraan door.
Er is nog zoveel te schrijven over het onderwerp ‘adoptie’. Over dit onderwerp raakt ieders pen niet snel leeg. Voorlopig is niemand hierover uitgeschreven. Jammer dat er zo weinig geboortemoeders zijn die hierover willen schrijven en spreken. Het is nog steeds die schaamte, het verschrikkelijke trauma wat de geboortemoeder met zich meedraagt en waarvan iedereen wil dat het geen greep op haar leven krijgt. De deksel van de doos, het spook eruit, dat wil niemand. De afstandsmoeders zeker niet.
Ik moet afscheid nemen. Niet van de Fiom zelf. De Fiom raakt mij nog niet kwijt. Ik heb ze niet meer nodig voor hulp maar het feit dat de Fiom er is, ik een telefoon kan pakken en kan vragen om hulp is een geweldige steun in mijn rug.
Nee, ik neem afscheid van mijn lezers hier. Wie mijn lezers buiten de Fiom waren weet ik. Maar wie zijn mijn lezers binnen de Fiom? Ik heb geen idee.
Met veel warmte sluit ik deze laatste blog en geef het stokje door aan de volgende schrijfster.
Renée M. de Bode-Grollée
dinsdag 12 januari 2010
Afstandsmoeder
‘Afstandsmoeder’? Twee paar blauwe ogen kijken mij vragend aan. ‘Afstandsmoeder wat is dat’? vraagt hij mij. ‘Een moeder die haar kind bij de geboorte afstaat voor adoptie’ antwoord ik hem. Er verschijnt een verbaasde blik in zijn ogen.
Inwendig moet ik lachen. Nog maar zes jaar geleden dat het woord afstandsmoeder voor het eerst volledig tot mij doordrong. Ik had diegene voor mij, bij het woord afstandsmoeder niet recht aangekeken zoals deze jongen wel doet. Al kende ik het woord niet, de lading van het woord had ik begrepen, ik had weggekeken van de vraagsteller. Want alles was ik, maar geen afstandsmoeder.
Ja, ik had een kind verloren. Vele jaren geleden. Ik was jong niet getrouwd en had een vriend die wel mij maar niet mij met een kind wilde hebben. Onder grote druk stond ik mijn kind ter adoptie af. Maar afstand… nee, dat nam ik nooit. Hij bleef mijn kind, afstand kon ik niet van hem nemen.
Zowat dagelijks nam hij bezit van mijn gedachten. Dan weer dichtbij maar soms was hij mijlenver uit mijn gedachten verdwenen. Als een cupidootje zat hij op mijn schouder, ik had geen last van hem, merkte hem nauwelijks op. Maar soms ging ik gebukt onder de last van mijn cupido en dan woog hij zwaar.
Ineens in het jaar 2003 gleed mijn cupidootje plotseling zonder enige aanleiding zomaar van mijn schouder. Daar stond hij, rechtop, vlak voor mijn neus. Ik was verbaasd, ik had hem al een poosje niet gevoeld. De last op mijn schouder was al lang geen last meer, ik droeg hem gedurende enige tijd, vederlicht.
Daar stond hij, oog in oog met mij, zijn moeder die zijn moeder niet was. Ja, daar stond hij, mijn zoon die mijn zoon niet meer was. Toch aan alles voelde ik; ‘ik ben zijn moeder en hij is mijn zoon’. We raakten beiden verstrikt in de navelstreng waarmee ik hem bijna verstikte. Een zoon, aan wie ik dikwijls verlangend had gedacht stond ineens tastbaar voor me. Hij voldeed in alles, was mooi en lief. Hij was de perfecte zoon maar wilde niet mee in mijn verlangens. Ik wilde hem smoren met mijn liefde, hij wees mij en mijn liefde af.
Het ging niet goed niet met mij. Ik wist niet tot wie ik mezelf kon wenden. Tot wie of wat wend ik me als ik zelfs het woord afstandsmoeder niet ken? Ik wist amper hoe ik het woord afstandsmoeder schreef, waar zoek ik dan? Ik googlede, schrok me dood als ik iets vond. Wist niet hoe snel ik de site weer moest verlaten, het voelde of ik met verboden sites aan het werk was. Afstandsmoeders waren wel die ‘andere vrouwen’ maar ik hoorde daar niet bij. Zo gleed ik verder en verder af van mij gewone ik en belandde in het moeras.
Hoe krampachtig ik ook probeerde mijn zoon vast te houden het lukte mij niet.
Een lieve vriendin wees mij op een programma op de tv, dat ik volgens haar echt moest kijken. Dus googlede ik op een middag naar ‘programma gemist’ en bekeek het programma ‘Andere Tijden’ over de afstandsmoeder. Ik keek en was verbaasd over het geen wat ik zag. Vrouwen, hele gewone vrouwen. Hun verhalen waren mijn verhalen! Vanaf de jaren vijftig tot aan nu toe, 25.000 afstandsmoeders. Ik was niet alleen maar waar waren zij? Waarom kende ik deze vrouwen niet? Er was een stichting genaamd; ‘Stichting Afstandsmoeders’ met een telefoonnummer en al en ik belde!
Een stem, een afstandsmoeder, praatte tegen mij, de andere afstandsmoeder. Ze dacht dat ik hulp nodig had en wees mij op de Fiom. Ik ging naar de Fiom en ik bezocht zelfs een psycholoog. Ik werd sterker en sterker. Ik schreef mijn boek ‘De Gemiste Kans’.
De Fiom steunde mij aan alle kanten en dan op zondag 25 november 2007 lanceerde ik enkele medewerkers van de Fiom mijn boek.
Mijn boek ligt er en ik dacht de wereld van afstandsmoeders binnen te stappen. Maar de Stichting Afstandsmoeders is moe en geeft even niet thuis. Te weinig moeders hebben de kar moeten trekken. Dit vraagt zijn tol. 25.000 afstandsmoeders maar waar zijn ze?
Mijn gedachten keren weer terug naar daar waar ik ben, ik kijk de jongen voor mij aan. Zijn blik zegt me, ‘welke moeder doet zoiets, wie staat haar kind af’? Een vriendelijke lach breekt door op zijn gezicht. Hij zegt ‘sorry, mevrouw dat ik dit u vraag, ik wist niet in welke categorie ik dit woord kon plaatsen maar loopt u maar mee. Het boek van de afstandsmoeder ligt hier’. Hij wijst mij de boekenplank aan waar mijn boek staat en wenst me een prettige dag!
Renée de Bode-Grollée
‘Afstandsmoeder’? Twee paar blauwe ogen kijken mij vragend aan. ‘Afstandsmoeder wat is dat’? vraagt hij mij. ‘Een moeder die haar kind bij de geboorte afstaat voor adoptie’ antwoord ik hem. Er verschijnt een verbaasde blik in zijn ogen.
Inwendig moet ik lachen. Nog maar zes jaar geleden dat het woord afstandsmoeder voor het eerst volledig tot mij doordrong. Ik had diegene voor mij, bij het woord afstandsmoeder niet recht aangekeken zoals deze jongen wel doet. Al kende ik het woord niet, de lading van het woord had ik begrepen, ik had weggekeken van de vraagsteller. Want alles was ik, maar geen afstandsmoeder.
Ja, ik had een kind verloren. Vele jaren geleden. Ik was jong niet getrouwd en had een vriend die wel mij maar niet mij met een kind wilde hebben. Onder grote druk stond ik mijn kind ter adoptie af. Maar afstand… nee, dat nam ik nooit. Hij bleef mijn kind, afstand kon ik niet van hem nemen.
Zowat dagelijks nam hij bezit van mijn gedachten. Dan weer dichtbij maar soms was hij mijlenver uit mijn gedachten verdwenen. Als een cupidootje zat hij op mijn schouder, ik had geen last van hem, merkte hem nauwelijks op. Maar soms ging ik gebukt onder de last van mijn cupido en dan woog hij zwaar.
Ineens in het jaar 2003 gleed mijn cupidootje plotseling zonder enige aanleiding zomaar van mijn schouder. Daar stond hij, rechtop, vlak voor mijn neus. Ik was verbaasd, ik had hem al een poosje niet gevoeld. De last op mijn schouder was al lang geen last meer, ik droeg hem gedurende enige tijd, vederlicht.
Daar stond hij, oog in oog met mij, zijn moeder die zijn moeder niet was. Ja, daar stond hij, mijn zoon die mijn zoon niet meer was. Toch aan alles voelde ik; ‘ik ben zijn moeder en hij is mijn zoon’. We raakten beiden verstrikt in de navelstreng waarmee ik hem bijna verstikte. Een zoon, aan wie ik dikwijls verlangend had gedacht stond ineens tastbaar voor me. Hij voldeed in alles, was mooi en lief. Hij was de perfecte zoon maar wilde niet mee in mijn verlangens. Ik wilde hem smoren met mijn liefde, hij wees mij en mijn liefde af.
Het ging niet goed niet met mij. Ik wist niet tot wie ik mezelf kon wenden. Tot wie of wat wend ik me als ik zelfs het woord afstandsmoeder niet ken? Ik wist amper hoe ik het woord afstandsmoeder schreef, waar zoek ik dan? Ik googlede, schrok me dood als ik iets vond. Wist niet hoe snel ik de site weer moest verlaten, het voelde of ik met verboden sites aan het werk was. Afstandsmoeders waren wel die ‘andere vrouwen’ maar ik hoorde daar niet bij. Zo gleed ik verder en verder af van mij gewone ik en belandde in het moeras.
Hoe krampachtig ik ook probeerde mijn zoon vast te houden het lukte mij niet.
Een lieve vriendin wees mij op een programma op de tv, dat ik volgens haar echt moest kijken. Dus googlede ik op een middag naar ‘programma gemist’ en bekeek het programma ‘Andere Tijden’ over de afstandsmoeder. Ik keek en was verbaasd over het geen wat ik zag. Vrouwen, hele gewone vrouwen. Hun verhalen waren mijn verhalen! Vanaf de jaren vijftig tot aan nu toe, 25.000 afstandsmoeders. Ik was niet alleen maar waar waren zij? Waarom kende ik deze vrouwen niet? Er was een stichting genaamd; ‘Stichting Afstandsmoeders’ met een telefoonnummer en al en ik belde!
Een stem, een afstandsmoeder, praatte tegen mij, de andere afstandsmoeder. Ze dacht dat ik hulp nodig had en wees mij op de Fiom. Ik ging naar de Fiom en ik bezocht zelfs een psycholoog. Ik werd sterker en sterker. Ik schreef mijn boek ‘De Gemiste Kans’.
De Fiom steunde mij aan alle kanten en dan op zondag 25 november 2007 lanceerde ik enkele medewerkers van de Fiom mijn boek.
Mijn boek ligt er en ik dacht de wereld van afstandsmoeders binnen te stappen. Maar de Stichting Afstandsmoeders is moe en geeft even niet thuis. Te weinig moeders hebben de kar moeten trekken. Dit vraagt zijn tol. 25.000 afstandsmoeders maar waar zijn ze?
Mijn gedachten keren weer terug naar daar waar ik ben, ik kijk de jongen voor mij aan. Zijn blik zegt me, ‘welke moeder doet zoiets, wie staat haar kind af’? Een vriendelijke lach breekt door op zijn gezicht. Hij zegt ‘sorry, mevrouw dat ik dit u vraag, ik wist niet in welke categorie ik dit woord kon plaatsen maar loopt u maar mee. Het boek van de afstandsmoeder ligt hier’. Hij wijst mij de boekenplank aan waar mijn boek staat en wenst me een prettige dag!
Renée de Bode-Grollée
Afstandsmoeder
Schilderij.
Ik heb geaccepteerd wie of wat ik ben. Een afstandsmoeder zonder hoop, zonder toekomst.
Mijn schilderij is leeg. Het frame rondom mijn schilderij is een gouden lijst, mooi en solide met een prachtige passe-partout er omheen maar binnenin is het doek wit.
In het begin was het een bonte schildering met vele kleuren door mijzelf ingekleurd. Maar mijn pas gevonden zoon begon langzaam in mijn schilderij te vegen en te poetsen. De kleuren werden fletser, een motief was bijna niet meer te zien. Hij poetste ijverig door totdat er voor mij een grijzige brei ontstond. Verbijsterd keek ik naar mijn schilderij. Er was geen motief meer te onderscheiden.
Hoe kon ik weer kleur en structuur aanbrengen in mijn eigen schilderij, vroeg ik mij af, zodat iedereen weer met bewondering er naar zou kijken. In paniek begon ik te schilderen maar dit lukt niet meer. De kleuren liepen door, het eindresultaat werd niet fraai. Met de verf druipend van mijn kwast staarde ik naar mijn uit de hand gelopen schilderij. Ik kon er alleen maar om huilen. Zo mijn best gedaan het was zo mooi en nu…..grijs en doorgelopen.
Alle afstandsmoeders die ik heb gesproken liepen op grote roze wolken na die eerste ontmoeting. Hun kind! Een vreemde volwassene, maar zo bekent. Alles aan dit kind herkende ze. Haar ogen, haar neus, kortom alles was van haar, aan alles kon je zien dat dit haar kind was. O ja, ze zag wel dingen die ze liever niet herkende maar dit nam ze voor lief. Dit is haar kind. Met het gevoel dit gaat nooit meer stuk, gaan ze aan de slag. Ze mogen eindelijk moeder zijn over hun afgestane kind, dat is wat ze al zolang heeft gewild. Hiervan heeft ze gedroomd en gefantaseerd.
Met de ijver den top gaan ze aan de slag. Maar bij sommige afstandsmoeders gaat het al snel mis. ‘Waarom. Hoe kan dit nu? Ik deed toch zo mijn best? Jij hebt toch altijd naar mij, je geboortemoeder verlangt? Ik ben toch je moeder? Wat wil je nu?
Maar het pas gevonden kind wil alles en ook niets. Het kind is in verwarring. Het herkende veel in die geboortemoeder maar echt niet alles! Het kind vindt het voor even wel best. Moet zijn gedachten ordenen en heeft tijd nodig.
Het kind pakt het leven van alle dag weer op en laat zijn geboortemoeder ontreddend achter.
Zo ging het bij mij en bij vele afstandsmoeders.
Maar nu… heb ik geaccepteerd wie of wat ik ben. Een afstandsmoeder zonder hoop, zonder toekomst. Mijn schilderij is leeg. Maar een wit doek is niet erg om naar te kijken het geeft rust. Je kunt het wit, kleuren in alles wat je maar wilt. Zonder hoop is niet zo dramatisch als het klinkt. De lijst om ons schilderij is van goud, mooi en solide.
Renée de Bode-Grollée
Ik heb geaccepteerd wie of wat ik ben. Een afstandsmoeder zonder hoop, zonder toekomst.
Mijn schilderij is leeg. Het frame rondom mijn schilderij is een gouden lijst, mooi en solide met een prachtige passe-partout er omheen maar binnenin is het doek wit.
In het begin was het een bonte schildering met vele kleuren door mijzelf ingekleurd. Maar mijn pas gevonden zoon begon langzaam in mijn schilderij te vegen en te poetsen. De kleuren werden fletser, een motief was bijna niet meer te zien. Hij poetste ijverig door totdat er voor mij een grijzige brei ontstond. Verbijsterd keek ik naar mijn schilderij. Er was geen motief meer te onderscheiden.
Hoe kon ik weer kleur en structuur aanbrengen in mijn eigen schilderij, vroeg ik mij af, zodat iedereen weer met bewondering er naar zou kijken. In paniek begon ik te schilderen maar dit lukt niet meer. De kleuren liepen door, het eindresultaat werd niet fraai. Met de verf druipend van mijn kwast staarde ik naar mijn uit de hand gelopen schilderij. Ik kon er alleen maar om huilen. Zo mijn best gedaan het was zo mooi en nu…..grijs en doorgelopen.
Alle afstandsmoeders die ik heb gesproken liepen op grote roze wolken na die eerste ontmoeting. Hun kind! Een vreemde volwassene, maar zo bekent. Alles aan dit kind herkende ze. Haar ogen, haar neus, kortom alles was van haar, aan alles kon je zien dat dit haar kind was. O ja, ze zag wel dingen die ze liever niet herkende maar dit nam ze voor lief. Dit is haar kind. Met het gevoel dit gaat nooit meer stuk, gaan ze aan de slag. Ze mogen eindelijk moeder zijn over hun afgestane kind, dat is wat ze al zolang heeft gewild. Hiervan heeft ze gedroomd en gefantaseerd.
Met de ijver den top gaan ze aan de slag. Maar bij sommige afstandsmoeders gaat het al snel mis. ‘Waarom. Hoe kan dit nu? Ik deed toch zo mijn best? Jij hebt toch altijd naar mij, je geboortemoeder verlangt? Ik ben toch je moeder? Wat wil je nu?
Maar het pas gevonden kind wil alles en ook niets. Het kind is in verwarring. Het herkende veel in die geboortemoeder maar echt niet alles! Het kind vindt het voor even wel best. Moet zijn gedachten ordenen en heeft tijd nodig.
Het kind pakt het leven van alle dag weer op en laat zijn geboortemoeder ontreddend achter.
Zo ging het bij mij en bij vele afstandsmoeders.
Maar nu… heb ik geaccepteerd wie of wat ik ben. Een afstandsmoeder zonder hoop, zonder toekomst. Mijn schilderij is leeg. Maar een wit doek is niet erg om naar te kijken het geeft rust. Je kunt het wit, kleuren in alles wat je maar wilt. Zonder hoop is niet zo dramatisch als het klinkt. De lijst om ons schilderij is van goud, mooi en solide.
Renée de Bode-Grollée
Ouders
Adoptieouders.
Tijdens de wekelijkse boodschappen kom ik mijn vriendin ‘afstandsmoeder’ tegen. Onze gesprekken gaan over van alles en nog wat en moeiteloos schakelt ons gesprek over op adoptie. Zij, begrijpt als geen ander de zaken waar ik soms mee worstel en dit is wederzijds. Vandaag ging ons gesprek over adoptie ouders, aan het eind van het gesprek zei zij, ‘ach, tussen afstandsmoeders en adoptie ouders zal nooit een warme band ontstaan, dit komt nooit goed tussen ons’. Hiermee instemmend ga ik op weg.
Het gesprek laat mij niet los. Want, heb ik niet een handvol vriendinnen die adoptiemoeder zijn? Het zijn leuke vriendinnen die vanzelf langgeleden op mijn pad kwamen. Hun adoptiekinderen zijn inmiddels volwassen. Ze hebben nooit naar hun bio- moeder gezocht. Hebben niet de minste behoefte heb ik het idee. Zij en hun ouders stralen veel geluk uit.
Mijn gedachten gaan terug naar een thema-avond van de Fiom. Achter de microfoon staat een beer van een man. De tranen rollen nog net niet over zijn wangen maar het zit er heel dichtbij. De vraag die hij aan ons afstandmoeders stelde ben ik vergeten. Maar het beeld van die grote sterke man die daar zo kwetsbaar staat te wezen voor die microfoon, is mij altijd bijgebleven. Later aan de bar vroeg ik hem ‘waarom werd je zo emotioneel’? Hij vertelde mij over een gesprek tussen zijn vrouw en hun adoptiekind. Hij zei, ‘toen ik jullie daar achter de tafel zag zitten gingen mijn gedachten terug naar dit gesprek ik voelde jullie verdriet en haar pijn’.
Zijn dochter zittend in het bad zat heel hard te huilen, zijn vrouw vroeg waarom ze verdriet had en zijn dochter zei dat ze huilde om haar mamma. ‘Je hoeft om mij toch niet te huilen? Antwoorden zijn vrouw verbaast ‘ik ben hier en ik er is niets met mij aan de hand! Nee’, zei zijn dochter, ík huil niet om jou maar om mijn andere moeder’.
Hij had op dat moment medelijden met zowel zijn vrouw als dochter.
Kan je alleen maar moeder worden als je een kind negen maanden bij je hebt gedragen? Word je alleen maar moeder als je weet wat voor helse pijn een bevalling inhoud? Sommige vinden van wel. Maar hoe zit dit dan met vaders? Zij dragen geen kind in hun buik. Ze blijven wel manmoedig naast hun bevallende vrouw zitten maar zaten liever ergens anders. Toch worden ze opslag vader. Met die grote onbeholpen handen houden ze het kind wat zij zelf niet gebaard hebben vast en de vonk slaat over. Soms niet ineens, soms heeft die vonk iets meer tijd nodig maar het komt.
De adoptiemoeder had graag een helse bevalling doorgemaakt. Haar man had niets liever aan haar zijde gezeten, ergens anders zijn was niet in zijn hoofd opgekomen. Maar het was hun niet gegund.
Zij krijgen een kind van een andere mamma maar hun liefde voor dit kind is groot. Het heeft soms even tijd nodig voor de vonk overslaat maar als de vonk er eenmaal is, dan is het goed.
Gaat er nooit een warme band ontstaan tussen adoptie ouders en de afstandsmoeder? Tussen mij en mijn vriendinnen met hun mannen in ieder geval wel.
Renée de Bode-Grollée
Tijdens de wekelijkse boodschappen kom ik mijn vriendin ‘afstandsmoeder’ tegen. Onze gesprekken gaan over van alles en nog wat en moeiteloos schakelt ons gesprek over op adoptie. Zij, begrijpt als geen ander de zaken waar ik soms mee worstel en dit is wederzijds. Vandaag ging ons gesprek over adoptie ouders, aan het eind van het gesprek zei zij, ‘ach, tussen afstandsmoeders en adoptie ouders zal nooit een warme band ontstaan, dit komt nooit goed tussen ons’. Hiermee instemmend ga ik op weg.
Het gesprek laat mij niet los. Want, heb ik niet een handvol vriendinnen die adoptiemoeder zijn? Het zijn leuke vriendinnen die vanzelf langgeleden op mijn pad kwamen. Hun adoptiekinderen zijn inmiddels volwassen. Ze hebben nooit naar hun bio- moeder gezocht. Hebben niet de minste behoefte heb ik het idee. Zij en hun ouders stralen veel geluk uit.
Mijn gedachten gaan terug naar een thema-avond van de Fiom. Achter de microfoon staat een beer van een man. De tranen rollen nog net niet over zijn wangen maar het zit er heel dichtbij. De vraag die hij aan ons afstandmoeders stelde ben ik vergeten. Maar het beeld van die grote sterke man die daar zo kwetsbaar staat te wezen voor die microfoon, is mij altijd bijgebleven. Later aan de bar vroeg ik hem ‘waarom werd je zo emotioneel’? Hij vertelde mij over een gesprek tussen zijn vrouw en hun adoptiekind. Hij zei, ‘toen ik jullie daar achter de tafel zag zitten gingen mijn gedachten terug naar dit gesprek ik voelde jullie verdriet en haar pijn’.
Zijn dochter zittend in het bad zat heel hard te huilen, zijn vrouw vroeg waarom ze verdriet had en zijn dochter zei dat ze huilde om haar mamma. ‘Je hoeft om mij toch niet te huilen? Antwoorden zijn vrouw verbaast ‘ik ben hier en ik er is niets met mij aan de hand! Nee’, zei zijn dochter, ík huil niet om jou maar om mijn andere moeder’.
Hij had op dat moment medelijden met zowel zijn vrouw als dochter.
Kan je alleen maar moeder worden als je een kind negen maanden bij je hebt gedragen? Word je alleen maar moeder als je weet wat voor helse pijn een bevalling inhoud? Sommige vinden van wel. Maar hoe zit dit dan met vaders? Zij dragen geen kind in hun buik. Ze blijven wel manmoedig naast hun bevallende vrouw zitten maar zaten liever ergens anders. Toch worden ze opslag vader. Met die grote onbeholpen handen houden ze het kind wat zij zelf niet gebaard hebben vast en de vonk slaat over. Soms niet ineens, soms heeft die vonk iets meer tijd nodig maar het komt.
De adoptiemoeder had graag een helse bevalling doorgemaakt. Haar man had niets liever aan haar zijde gezeten, ergens anders zijn was niet in zijn hoofd opgekomen. Maar het was hun niet gegund.
Zij krijgen een kind van een andere mamma maar hun liefde voor dit kind is groot. Het heeft soms even tijd nodig voor de vonk overslaat maar als de vonk er eenmaal is, dan is het goed.
Gaat er nooit een warme band ontstaan tussen adoptie ouders en de afstandsmoeder? Tussen mij en mijn vriendinnen met hun mannen in ieder geval wel.
Renée de Bode-Grollée
Google.
De ene helft van onze bevolking is zoekende en de rest wil gevonden worden. Tenminste zo lijkt het als men zich op het internet begeeft. We surfen over de hele wereld.
Men wil ook gevonden worden. Iedereen die maar een beetje kan zingen, een frivool dansje kan uitvoeren…, plaatsen het op Youtube in de hoop dat ze gevonden worden.
Zoeken en gevonden worden. Wie zoekt er en wie wordt er gevonden? Wie begeeft zich op het internet?
We herkennen het allemaal. Die vergadering, die cursus. Die éne man of vrouw blijft je bij en later thuis, Google je even op die naam in de hoop iets te vinden. Ik doe het, maar u doet het ook. We Googlen er met zijn allen vrolijk op los.
Zoeken en gevonden worden. Geadopteerde zoeken en willen graag gevonden worden. Ze willen gevonden worden door hun bio-moeder en of vader die in het verleden afstand van hem of haar deed. Altijd is daar het verlangen.
Zoeken afstandsmoeders? Ja, zij zoeken weldegelijk. Zij zoeken vanaf de eerste dag na de geboorte van hun afgestane kind. Niet concreet op het Internet. Nee, de afstandsmoeder zoek in haar omgeving.
“Draagt deze man of vrouw de naam van mijn kind? Herken ik iets in dit gezicht van die onbekende? Zou die vrouw die daar zit mijn kind zijn? Of die man met dat smalle gezicht? Lijkt hij niet op mij?”
Ze zoekt, maar wil liever niet gevonden worden. Het is veiliger zo. Niemand in haar omgeving die iets weet of vermoedt. Ze zoekt in stilte, Google is haar niet bekend.
De geadopteerde echter, Googled er vrolijk op los.
‘De Fiom gaat digitaal’, lees ik in de nieuwsbrief van de Fiom, ‘anders missen ze de aansluiting’, zegt de directeur. Ze heeft gelijk. De Fiom bestaat van de zoekende.
Wie zoek de Fiom? Hoe bekend is de Fiom op het internet? Hoe snel is de Fiom daar te vinden?
Ik Google er even op los.
Ik typ in; ‘Adoptie’. Bij het woord adoptie kom ik tot op pagina 15 nog steeds geen Fiom tegen en ik geef het op.
Bij het woord geadopteerde vind ik de Fiom op pagina 7.
‘Afstandsmoeders’ typ ik in, en jawel op pagina 2 wordt er over de Fiom gesproken, op de volgende pagina vind ik de Fiom zelf.
Zelfs bij het woord adoptie-ouders komt op pagina 3 de Fiom naar voren via de stichting Stade.
Zoeken en gevonden worden, het blijft een probleem. Maar de Fiom gaat digitaal en zal binnenkort door iedere betrokkene gevonden worden.
Renée de Bode-Grollée
De ene helft van onze bevolking is zoekende en de rest wil gevonden worden. Tenminste zo lijkt het als men zich op het internet begeeft. We surfen over de hele wereld.
Men wil ook gevonden worden. Iedereen die maar een beetje kan zingen, een frivool dansje kan uitvoeren…, plaatsen het op Youtube in de hoop dat ze gevonden worden.
Zoeken en gevonden worden. Wie zoekt er en wie wordt er gevonden? Wie begeeft zich op het internet?
We herkennen het allemaal. Die vergadering, die cursus. Die éne man of vrouw blijft je bij en later thuis, Google je even op die naam in de hoop iets te vinden. Ik doe het, maar u doet het ook. We Googlen er met zijn allen vrolijk op los.
Zoeken en gevonden worden. Geadopteerde zoeken en willen graag gevonden worden. Ze willen gevonden worden door hun bio-moeder en of vader die in het verleden afstand van hem of haar deed. Altijd is daar het verlangen.
Zoeken afstandsmoeders? Ja, zij zoeken weldegelijk. Zij zoeken vanaf de eerste dag na de geboorte van hun afgestane kind. Niet concreet op het Internet. Nee, de afstandsmoeder zoek in haar omgeving.
“Draagt deze man of vrouw de naam van mijn kind? Herken ik iets in dit gezicht van die onbekende? Zou die vrouw die daar zit mijn kind zijn? Of die man met dat smalle gezicht? Lijkt hij niet op mij?”
Ze zoekt, maar wil liever niet gevonden worden. Het is veiliger zo. Niemand in haar omgeving die iets weet of vermoedt. Ze zoekt in stilte, Google is haar niet bekend.
De geadopteerde echter, Googled er vrolijk op los.
‘De Fiom gaat digitaal’, lees ik in de nieuwsbrief van de Fiom, ‘anders missen ze de aansluiting’, zegt de directeur. Ze heeft gelijk. De Fiom bestaat van de zoekende.
Wie zoek de Fiom? Hoe bekend is de Fiom op het internet? Hoe snel is de Fiom daar te vinden?
Ik Google er even op los.
Ik typ in; ‘Adoptie’. Bij het woord adoptie kom ik tot op pagina 15 nog steeds geen Fiom tegen en ik geef het op.
Bij het woord geadopteerde vind ik de Fiom op pagina 7.
‘Afstandsmoeders’ typ ik in, en jawel op pagina 2 wordt er over de Fiom gesproken, op de volgende pagina vind ik de Fiom zelf.
Zelfs bij het woord adoptie-ouders komt op pagina 3 de Fiom naar voren via de stichting Stade.
Zoeken en gevonden worden, het blijft een probleem. Maar de Fiom gaat digitaal en zal binnenkort door iedere betrokkene gevonden worden.
Renée de Bode-Grollée
Adoptie
Adoptie.
We konden er de laatste weken niet om heen. Iedereen die ook maar enigszins iets met de wereld van adoptie te maken had kwam in de media voorbij. De deelbemiddeling! De voor- en tegenstanders kwamen in beeld. De deelbemiddeling blijft, de minister ging om en het bracht mij in verwarring. Het maakt mij boos.
‘Ben ik nu voor of tegen adoptie’? Vroeg ik mij meerderenmalen de afgelopen weken af. Tegen natuurlijk. Maar had ik zelf niet aan adoptie meegewerkt? Au mijn hoofd.
Zaterdagmorgen 13 juni; ik ben op weg naar Rotterdam, op mijn autoradio hoor ik Hans Walenkamp. Hij is adoptie vader van drie over de hele wereld vandaan komende kinderen. Hij kan er prachtig over schrijven hij kan er nog boeiender over vertellen. Hij was van het begin af aan dolgelukkig met zijn inmiddels volwassen geadopteerde kinderen. Ik ken Hans, zijn kinderen ken ik niet maar ik neem aan dat zijn kinderen andersom ook dolgelukkig met hem zijn.
Mijn gedachten glijden weg. Ik ben terug in Bangladesh het ziekenhuis waar ik werkte in de jaren 70. Ik zie de moeders voor me met hun uitgemergelde kind in hun armen. Uit hun borsten komt al dagen, misschien zelfs weken, geen druppel melk.
Het kind in haar armen is volkomen uitgedroogd en zwaar ondervoed. De moeder kijkt weg. Ze heeft allang afstand van dit kind in haar armen genomen. Dit kind was er net één te veel. Ze moet overleven om de rest van haar kinderen te redden. Dit kind kan er echt niet meer bij, ze heeft geen plek. Ze laat het kind bij ons achter in het ziekenhuis. Wij twijfelen of het kind de avond wel haalt.
’s Morgens bij binnenkomst keek ik snel in de bedjes. Lag er een witte bundel of een baby die de nacht heeft overleefd? Als het kind de ochtend had gehaald wisten we ‘dit is een vechtertje’. Deze gaat het wel redden. Maar redden voor wat? Voor het leven bij een moeder die niet voor haar kind kan zorgen. Weken gaan er voorbij en het kind krabbelt langzaam overeind. Het bloeit op, er verschijnt steeds vaker een lach op het gezicht. Ik kriebel op zijn buik en het kind rolt om van de lach. In gedachten smeek ik om een goed tehuis voor dit kind. Ik hoop zo dat dit kind geadopteerd zal worden. Want de tijd heeft ons geleerd als het kind gezond naar huis terugkeert, is het over een half jaar weer terug. In dezelfde conditie als het maanden geleden bij ons arriveerde of nog slechter.
‘Tijden veranderen’ hoor ik Hans zeggen. ‘Een kind wordt steeds vaker in het land van herkomst geadopteerd ’en hij vindt dit een goede zaak’. ‘Een kind hoort in het land van herkomst geadopteerd te worden’zegt hij. Ik voel een brok in mijn keel en de tranen prikken in mijn ogen. Ik ben in verwarring. Is er een goede zaak aan adoptie?
Au mijn hoofd!
Renée de Bode-Grollée
We konden er de laatste weken niet om heen. Iedereen die ook maar enigszins iets met de wereld van adoptie te maken had kwam in de media voorbij. De deelbemiddeling! De voor- en tegenstanders kwamen in beeld. De deelbemiddeling blijft, de minister ging om en het bracht mij in verwarring. Het maakt mij boos.
‘Ben ik nu voor of tegen adoptie’? Vroeg ik mij meerderenmalen de afgelopen weken af. Tegen natuurlijk. Maar had ik zelf niet aan adoptie meegewerkt? Au mijn hoofd.
Zaterdagmorgen 13 juni; ik ben op weg naar Rotterdam, op mijn autoradio hoor ik Hans Walenkamp. Hij is adoptie vader van drie over de hele wereld vandaan komende kinderen. Hij kan er prachtig over schrijven hij kan er nog boeiender over vertellen. Hij was van het begin af aan dolgelukkig met zijn inmiddels volwassen geadopteerde kinderen. Ik ken Hans, zijn kinderen ken ik niet maar ik neem aan dat zijn kinderen andersom ook dolgelukkig met hem zijn.
Mijn gedachten glijden weg. Ik ben terug in Bangladesh het ziekenhuis waar ik werkte in de jaren 70. Ik zie de moeders voor me met hun uitgemergelde kind in hun armen. Uit hun borsten komt al dagen, misschien zelfs weken, geen druppel melk.
Het kind in haar armen is volkomen uitgedroogd en zwaar ondervoed. De moeder kijkt weg. Ze heeft allang afstand van dit kind in haar armen genomen. Dit kind was er net één te veel. Ze moet overleven om de rest van haar kinderen te redden. Dit kind kan er echt niet meer bij, ze heeft geen plek. Ze laat het kind bij ons achter in het ziekenhuis. Wij twijfelen of het kind de avond wel haalt.
’s Morgens bij binnenkomst keek ik snel in de bedjes. Lag er een witte bundel of een baby die de nacht heeft overleefd? Als het kind de ochtend had gehaald wisten we ‘dit is een vechtertje’. Deze gaat het wel redden. Maar redden voor wat? Voor het leven bij een moeder die niet voor haar kind kan zorgen. Weken gaan er voorbij en het kind krabbelt langzaam overeind. Het bloeit op, er verschijnt steeds vaker een lach op het gezicht. Ik kriebel op zijn buik en het kind rolt om van de lach. In gedachten smeek ik om een goed tehuis voor dit kind. Ik hoop zo dat dit kind geadopteerd zal worden. Want de tijd heeft ons geleerd als het kind gezond naar huis terugkeert, is het over een half jaar weer terug. In dezelfde conditie als het maanden geleden bij ons arriveerde of nog slechter.
‘Tijden veranderen’ hoor ik Hans zeggen. ‘Een kind wordt steeds vaker in het land van herkomst geadopteerd ’en hij vindt dit een goede zaak’. ‘Een kind hoort in het land van herkomst geadopteerd te worden’zegt hij. Ik voel een brok in mijn keel en de tranen prikken in mijn ogen. Ik ben in verwarring. Is er een goede zaak aan adoptie?
Au mijn hoofd!
Renée de Bode-Grollée
dinsdag 5 januari 2010
geboorte
Dromen
De dingen in het leven die zo vanzelfsprekend lijken, zijn dat niet altijd.
Een man, een vrouw, een wens!
Maar wat een vanzelfsprekendheid lijkt, wordt ineens niet bewaarheid.
Dromen vallen in duigen en de wens… die wordt alsmaar groter.
Wat nu, als deze vanzelfsprekende wens niet lukt? Vele opties passeren de revue. De techniek staat nu eenmaal voor niets. Alleen maakt het de keuze niet makkelijker.
Hij, een jongen nog, zowat een man. Zij, een meisje, zowat een vrouw, ze werden verliefd. Samen groeide ze uit tot man en vrouw. De toekomst lag voor hen open. Ze hadden alle tijd van de hele wereld.
Maar tijd is wreed. De tijd tikt ongenadig door. De tijd stopt geen seconden. Maar ze lachten er om want, de toekomst was ver…
Om hen heen werden vrienden zwanger. Ja, zij hadden wel die wens maar dat kwam nog wel alles op zijn tijd. En de tijd die tikte door. Er kwamen vele kraamvisites. De wens groeide uit tot een droom. Een dergelijk droom moet toch in vervulling gaan? Ongenadig tikt de tijd.
We kennen elkaar van lang geleden. Je was een jonge man en werd verliefd. Ik zag de liefde bij jullie beide ontluiken. De laatste jaren zagen we elkaar nauwelijks maar op afstand bleven we elkaar’s leven volgen. Jullie biologische klok liep, maar er gebeurde niets.
Als jullie uit de vele opties die er zijn eindelijk denken de juiste optie te hebben gekozen, verschijnt mijn boek.
Je bent de eerste die hem koopt en reageert onmiddellijk. De optie die een week geleden nog een goede optie voor jullie bleek te zijn stond door mijn boek bij jullie op losse schroeven…..
Het deed mij verdriet.
Maar dromen zijn niet louter en alleen bedrog, want zie wat er uiteindelijk is uitgekomen.
Een droom komt uit! Jullie eigen woorden.
De geboorte van een wonderschone dochter.
Renée de Bode-Grollée
De dingen in het leven die zo vanzelfsprekend lijken, zijn dat niet altijd.
Een man, een vrouw, een wens!
Maar wat een vanzelfsprekendheid lijkt, wordt ineens niet bewaarheid.
Dromen vallen in duigen en de wens… die wordt alsmaar groter.
Wat nu, als deze vanzelfsprekende wens niet lukt? Vele opties passeren de revue. De techniek staat nu eenmaal voor niets. Alleen maakt het de keuze niet makkelijker.
Hij, een jongen nog, zowat een man. Zij, een meisje, zowat een vrouw, ze werden verliefd. Samen groeide ze uit tot man en vrouw. De toekomst lag voor hen open. Ze hadden alle tijd van de hele wereld.
Maar tijd is wreed. De tijd tikt ongenadig door. De tijd stopt geen seconden. Maar ze lachten er om want, de toekomst was ver…
Om hen heen werden vrienden zwanger. Ja, zij hadden wel die wens maar dat kwam nog wel alles op zijn tijd. En de tijd die tikte door. Er kwamen vele kraamvisites. De wens groeide uit tot een droom. Een dergelijk droom moet toch in vervulling gaan? Ongenadig tikt de tijd.
We kennen elkaar van lang geleden. Je was een jonge man en werd verliefd. Ik zag de liefde bij jullie beide ontluiken. De laatste jaren zagen we elkaar nauwelijks maar op afstand bleven we elkaar’s leven volgen. Jullie biologische klok liep, maar er gebeurde niets.
Als jullie uit de vele opties die er zijn eindelijk denken de juiste optie te hebben gekozen, verschijnt mijn boek.
Je bent de eerste die hem koopt en reageert onmiddellijk. De optie die een week geleden nog een goede optie voor jullie bleek te zijn stond door mijn boek bij jullie op losse schroeven…..
Het deed mij verdriet.
Maar dromen zijn niet louter en alleen bedrog, want zie wat er uiteindelijk is uitgekomen.
Een droom komt uit! Jullie eigen woorden.
De geboorte van een wonderschone dochter.
Renée de Bode-Grollée
verliefd
Verliefd.
Op de site van Adoptie-Trefpunt keuvelen twee geadopteerde onbekommerd over hun biologische moeder die zij beide hebben ontmoet. Ze vertellen elkaar over hun gevoelens, de vlinders in hun buik die zij voelen als ze hun geboortemoeder zien.
Ze zijn verbaasd over het feit dat ze die gevoelens bij elkaar herkennen. Ze gaan volledig op in elkaar. Ze vergeten hun omgeving, vergeten totaal dat dagelijks vele betrokkenen op deze site meelezen.
Tot een geboortemoeder zich in hun gesprek mengt. Ze vertelt hoe leuk zij het vindt. Hoe blij zij werd om dit te lezen, want zij als geboortemoeder voelde hetzelfde. De beide vrouwen schrikken, hadden zich onbespied gewaand en daar is ineens een vreemde met hetzelfde gevoel? Ze beginnen zich te verontschuldigen en vertellen de geboortemoeder dat het niets seksueels is. Op haar beurt schrikt de geboortemoeder, nee natuurlijk heeft het daar niets mee te maken.
Zij legt in klare taal uit aan beide dames haar gevoelens voor het afgestane kind.
Ieder moeder herkent het. Het kind wat je met veel moeite hebt gebaard. Het ziet er niet uit! Blauw, rood, bedekt met witte crème…. Kortom, een verfomfaaide bundel word je in je armen gedrukt. Hoe moe je ook bent de vlam slaat onmiddellijk over. Je krijgt de kriebels in je buik en valt als een blok voor dit prachtige pas geboren kind. Een mooier kind dan jouw kind bestaat er niet want liefde maakt ons nu eenmaal blind.
In de loop der jaren wordt de liefde voor je kind alleen maar dieper. De verliefdheid verdwijnt maar het houden van wordt intenser. Maar toch… soms zomaar uit het niets vallen ze de kamer binnen op weg ergens naar toe. Jij als moeder denkt ‘wouw! Goh, jongen wat ben je mooi’! Vervolgens begint er een discussie tussen jou en dit mooie kind. Een fiets met een lekke band die er volgens jou al 6 weken staat maar volgens hem pas vandaag. Hij heeft vanavond toch echt jouw fiets nodig. Als hij eindelijk na veel gezeur het pleit gewonnen heeft, voldaan het tuinpad af fietst met jouw fiets is hij in jouw ogen veel minder mooi. Jij, als moeder, bent weer terug op aard.
Nooit was er een conflict met mijn afgestane kind. De puberteit… had hij die wel? Alles was en is mooi aan dit kind. In mijn herinnering was er altijd die prachtige baby met het mooiste neusje van de hele wereld. Voor mij is hij altijd zo gebleven.
De dames op het Adoptie-Trefpunt keuvelen gedrieën verder. En wij lezers? Wij lezen glimlachend mee, onbespied gewaand met onze eigen gevoelens.
Renée de Bode-Grollée
Op de site van Adoptie-Trefpunt keuvelen twee geadopteerde onbekommerd over hun biologische moeder die zij beide hebben ontmoet. Ze vertellen elkaar over hun gevoelens, de vlinders in hun buik die zij voelen als ze hun geboortemoeder zien.
Ze zijn verbaasd over het feit dat ze die gevoelens bij elkaar herkennen. Ze gaan volledig op in elkaar. Ze vergeten hun omgeving, vergeten totaal dat dagelijks vele betrokkenen op deze site meelezen.
Tot een geboortemoeder zich in hun gesprek mengt. Ze vertelt hoe leuk zij het vindt. Hoe blij zij werd om dit te lezen, want zij als geboortemoeder voelde hetzelfde. De beide vrouwen schrikken, hadden zich onbespied gewaand en daar is ineens een vreemde met hetzelfde gevoel? Ze beginnen zich te verontschuldigen en vertellen de geboortemoeder dat het niets seksueels is. Op haar beurt schrikt de geboortemoeder, nee natuurlijk heeft het daar niets mee te maken.
Zij legt in klare taal uit aan beide dames haar gevoelens voor het afgestane kind.
Ieder moeder herkent het. Het kind wat je met veel moeite hebt gebaard. Het ziet er niet uit! Blauw, rood, bedekt met witte crème…. Kortom, een verfomfaaide bundel word je in je armen gedrukt. Hoe moe je ook bent de vlam slaat onmiddellijk over. Je krijgt de kriebels in je buik en valt als een blok voor dit prachtige pas geboren kind. Een mooier kind dan jouw kind bestaat er niet want liefde maakt ons nu eenmaal blind.
In de loop der jaren wordt de liefde voor je kind alleen maar dieper. De verliefdheid verdwijnt maar het houden van wordt intenser. Maar toch… soms zomaar uit het niets vallen ze de kamer binnen op weg ergens naar toe. Jij als moeder denkt ‘wouw! Goh, jongen wat ben je mooi’! Vervolgens begint er een discussie tussen jou en dit mooie kind. Een fiets met een lekke band die er volgens jou al 6 weken staat maar volgens hem pas vandaag. Hij heeft vanavond toch echt jouw fiets nodig. Als hij eindelijk na veel gezeur het pleit gewonnen heeft, voldaan het tuinpad af fietst met jouw fiets is hij in jouw ogen veel minder mooi. Jij, als moeder, bent weer terug op aard.
Nooit was er een conflict met mijn afgestane kind. De puberteit… had hij die wel? Alles was en is mooi aan dit kind. In mijn herinnering was er altijd die prachtige baby met het mooiste neusje van de hele wereld. Voor mij is hij altijd zo gebleven.
De dames op het Adoptie-Trefpunt keuvelen gedrieën verder. En wij lezers? Wij lezen glimlachend mee, onbespied gewaand met onze eigen gevoelens.
Renée de Bode-Grollée
De Fiom.
Het had niets uitgemaakt wie het gesprek met mij bij de Fiom ging leiden. Jong, oud, man of vrouw! Bij voorbaat was het een verloren gesprek. Ik haatte alles en iedereen voordat ik nog maar iemand gesproken had. Ik had willen schreeuwen, gillen maar deed niets van dit alles. Bij mij heerste verwarring. Ik had nooit ergens over mogen praten en nu… Nu kwam ik op gesprek en mocht er over gesproken worden.
Ik werd tijdens de zwangerschap van mijn kind geïndoctrineerd. Klaar gestoomd voor afstand. Nergens overpraten want anders… Ja wat anders? Wat ging er gebeuren als ik ooit mijn mond open ging doen? Dit was nu precies wat ik niet wist. Maar als ik mijn moeder, onze huisarts en maatschappelijk werkster uit die tijd goed begreep hing het zwaard van Damocles boven mijn hoofd als ik sprak. Ik had gewoon geluk. De juiste oplossing werd voor mij bedacht. Wanneer ik mij aan de spelregels van zwijgen hield kwam alles goed. Dus zweeg ik jaren lang. Soms twijfelde ik en dacht, ‘wat zou er gebeuren als ik de vriendin die voor mij zit vertel dat ik een kind heb afgestaan’?
De medewerkster van de Fiom was een vrouw van mijn leeftijd. Ze stond mij vriendelijk te woord. Ze vroeg of ik het erg vond als er een jonge stagiaire bij het gesprek aanwezig zou zijn? Nee, het maakte mij geen klap meer uit!
Bij binnenkomst zag ik de papieren zakdoeken op tafel staan. ‘Voor als er gehuild moet worden’, zei ze lachend. De tenen in mijn schoenen kromden. Mijn nagels duwde ik in mijn handpalm. Vanuit mijn rug, krop langs mijn wervels een pijn via mijn nek mijn hoofd binnen. Het was een vreselijke pijn en het bonken begon.
‘Denk maar niet dat ik ga huilen had ik tegen haar willen schreeuwen’. Dit genoegen gunde ik haar niet. Maar ik hield mijn mond. De vrouw voor mij was alleen maar aardig keek niet op mij neer. Ze zorgde voor een steeds grotere verwarring binnen in mij.
‘Ze vond het een prettig gesprek’ zei ze na afloop tegen mij en ik had wel willen huilen. Mijn hoofd stond op exploderen.
Ik mocht gaan. Ik zou nog van de Fiom horen. Ja, dacht ik, maar de Fiom niet van mij. Nooit meer! Dit had ik daar terplekke zo bedacht.
Met mijn liefste glimlach nam ik voorgoed afscheid van de Fiom. Van mij zouden ze nooit meer iets vernemen mij zouden ze nooit meer zien…
Renée de Bode-Grollée
Het had niets uitgemaakt wie het gesprek met mij bij de Fiom ging leiden. Jong, oud, man of vrouw! Bij voorbaat was het een verloren gesprek. Ik haatte alles en iedereen voordat ik nog maar iemand gesproken had. Ik had willen schreeuwen, gillen maar deed niets van dit alles. Bij mij heerste verwarring. Ik had nooit ergens over mogen praten en nu… Nu kwam ik op gesprek en mocht er over gesproken worden.
Ik werd tijdens de zwangerschap van mijn kind geïndoctrineerd. Klaar gestoomd voor afstand. Nergens overpraten want anders… Ja wat anders? Wat ging er gebeuren als ik ooit mijn mond open ging doen? Dit was nu precies wat ik niet wist. Maar als ik mijn moeder, onze huisarts en maatschappelijk werkster uit die tijd goed begreep hing het zwaard van Damocles boven mijn hoofd als ik sprak. Ik had gewoon geluk. De juiste oplossing werd voor mij bedacht. Wanneer ik mij aan de spelregels van zwijgen hield kwam alles goed. Dus zweeg ik jaren lang. Soms twijfelde ik en dacht, ‘wat zou er gebeuren als ik de vriendin die voor mij zit vertel dat ik een kind heb afgestaan’?
De medewerkster van de Fiom was een vrouw van mijn leeftijd. Ze stond mij vriendelijk te woord. Ze vroeg of ik het erg vond als er een jonge stagiaire bij het gesprek aanwezig zou zijn? Nee, het maakte mij geen klap meer uit!
Bij binnenkomst zag ik de papieren zakdoeken op tafel staan. ‘Voor als er gehuild moet worden’, zei ze lachend. De tenen in mijn schoenen kromden. Mijn nagels duwde ik in mijn handpalm. Vanuit mijn rug, krop langs mijn wervels een pijn via mijn nek mijn hoofd binnen. Het was een vreselijke pijn en het bonken begon.
‘Denk maar niet dat ik ga huilen had ik tegen haar willen schreeuwen’. Dit genoegen gunde ik haar niet. Maar ik hield mijn mond. De vrouw voor mij was alleen maar aardig keek niet op mij neer. Ze zorgde voor een steeds grotere verwarring binnen in mij.
‘Ze vond het een prettig gesprek’ zei ze na afloop tegen mij en ik had wel willen huilen. Mijn hoofd stond op exploderen.
Ik mocht gaan. Ik zou nog van de Fiom horen. Ja, dacht ik, maar de Fiom niet van mij. Nooit meer! Dit had ik daar terplekke zo bedacht.
Met mijn liefste glimlach nam ik voorgoed afscheid van de Fiom. Van mij zouden ze nooit meer iets vernemen mij zouden ze nooit meer zien…
Renée de Bode-Grollée
Abonneren op:
Posts (Atom)