Hulp
In tegenstelling van wat iedereen om mij heen verwachtte werd ik niet gelukkig na de eerste ontmoeting met mijn afgestane zoon. Ja, de ontmoeting zelf was geweldig, voldeed aan (in uitzondering van plaats) wat ik altijd gefantaseerd had. Ik dagdroomde meestal over mijn afgestane zoon die ik ontmoette ergens op een zonnig terras in Rotterdam. We hadden samen een geweldig leuk en onderhoudend gesprek.
Tot zover kwam mijn dagdroom uit.Het gesprek met mijn zoon was geweldig, alleen de plaats was niet een zonnig terras maar de Raad van Kinderbescherming te Rotterdam.
“Wat moet jij blij zijn dat jouw zoon je is gaan zoeken, wat een vreugde dat jullie elkaar hebben ontmoet”, zei iedereen die er over hoorde. Ik knikte ijverig van ja, maar in mijn hoofd sloop iets wat niet te sturen was.
Natuurlijk wist ik dat ik blij en gelukkig moest zijn over het feit dat hij mij was gaan zoeken en zelfs wilde ontmoeten, maar helaas werd ik verre van dat. Hoe groter mijn poging om gelukkig te zijn des te harder viel ik omlaag. Ik, die een jaar na zijn geboorte zichzelf voorgenomen had om nooit meer te huilen was daar wonderwel tot nu toe in geslaagd. Maar nu? De tranen stroomden zonder dat ik het wilde. Overal waar ik mij bevond huilde ik dikke tranen.
Ik begreep mijzelf niet meer en mijn omging begreep mij nog minder. Ik, die nooit ruzie had zocht ruzie met iedereen. Ik had hulp nodig dat begreep ik wel, maar waar haal je die hulp vandaan? Ik was de enige vrouw op de hele wereld die ooit een kind had afgestaan. Gelukkig was dat andere vrouwen nooit overkomen. Dus wie kon mij daarbij helpen?
Maar er kwam een naam. De Fiom. Dit is een stichting die vrouwen zoals ik helpt. Ik viel van mijn stoel, ik was dus niet de enige er waren er meer….
Ik belde voor een afspraak en kreeg van de Fiom een uitnodiging voor een gesprek. De dag van het gesprek ging ik op pad. Voor het eerst naar Breda de stad waar ik nooit eerder was geweest. Ik parkeerde mijn auto en liep het plein op. Het gebouw waar de Fiom gevestigd zit is niet te missen, in mijn ogen architectonisch een prachtig gebouw.
Maar de eerste stap die ik over de drempel bij de Fiom zette overviel mij een vreselijk gevoel. Ik was ineens weer 18, ik kreeg te maken met mensen die op mij neerkeken. Mijn allergie die ik na het afstaan van mijn zoon voor maatschappelijk werk en werksters had ontwikkeld kwam bij binnenkomst in alle hevigheid terug.
Renée de Bode-Grollée
zaterdag 26 december 2009
Afstandsmoeder.
Hier sta ik dan voor het eerst op de weblog van de Fiom als afstandsmoeder. Voel mij een beetje bloot. ‘Afstandsmoeder’, een woord wat ik haatte toen ik het enkele jaren geleden voor het eerst hoorde. Natuurlijk had ik het woord eerder gehoord maar ik betrok dit nooit eerder op mijzelf. Het riep vele associaties bij mij op maar met het woord zelf had ik weinig. Het woord klopte volgens mij niet. Ja, ik werd moeder 41 jaar geleden van een zoon, tot zover klopt dus het woord. Maar afstand? Nam ik afstand? Deed ik afstand van het kind wat uit mij geboren werd?
Toen ik op 18 jarige leeftijd zwanger thuis kwam werden er verschillende gedachtes erbij mij in gehamerd. Bovenaan de lijst stond dat ik mij moest schamen! Diep, diep schamen voor het feit dat ik ongehuwd zwanger was. Ik moest beseffen dat er nooit iets van mij terecht zou komen. Toen ik van deze gedachte overtuigd was werd mij verteld dat ik nooit goed voor mijn kind zou kunnen zorgen. Er waren ouders die verlangde naar een kind, zij konden mijn kind bieden wat ik niet kon. En ik? Ik geloofde het.
Er zit een contradictie in het woord. Moeder en afstand het is niet aan elkaar te rijmen. Hoe kan je afstand van je kind doen? Dit kan niet! Het is een tegennatuurlijk. Je moet na de geboorte en de afstand van je kind proberen te overleven. Lukt haar dat? Is er onderzoek gedaan hoe het de afstandsmoeder die jaren daarna vergaan is? Nee, er is nooit onderzoek naar haar gedaan. Niet over praten was het motto. En ik? Ik zweeg als een graf.
Dan, 36 jaar na zijn geboorte word ik geconfronteerd met het woord afstandsmoeder. Het woord wat volgens mij niet klopte maar door mij na 41 jaar volkomen geaccepteerd is. Het hoort bij mij.
Renée de Bode-Grollée
Toen ik op 18 jarige leeftijd zwanger thuis kwam werden er verschillende gedachtes erbij mij in gehamerd. Bovenaan de lijst stond dat ik mij moest schamen! Diep, diep schamen voor het feit dat ik ongehuwd zwanger was. Ik moest beseffen dat er nooit iets van mij terecht zou komen. Toen ik van deze gedachte overtuigd was werd mij verteld dat ik nooit goed voor mijn kind zou kunnen zorgen. Er waren ouders die verlangde naar een kind, zij konden mijn kind bieden wat ik niet kon. En ik? Ik geloofde het.
Er zit een contradictie in het woord. Moeder en afstand het is niet aan elkaar te rijmen. Hoe kan je afstand van je kind doen? Dit kan niet! Het is een tegennatuurlijk. Je moet na de geboorte en de afstand van je kind proberen te overleven. Lukt haar dat? Is er onderzoek gedaan hoe het de afstandsmoeder die jaren daarna vergaan is? Nee, er is nooit onderzoek naar haar gedaan. Niet over praten was het motto. En ik? Ik zweeg als een graf.
Dan, 36 jaar na zijn geboorte word ik geconfronteerd met het woord afstandsmoeder. Het woord wat volgens mij niet klopte maar door mij na 41 jaar volkomen geaccepteerd is. Het hoort bij mij.
Renée de Bode-Grollée
Abonneren op:
Posts (Atom)